Door: Anton Kruining

Op een avond word mijn aandacht getrokken door iets. Het glinstert op de rever van zijn jasje. Ik kijk wat nauwkeuriger. Het is een gouden kruisje.
Maar op een subtiele manier willen ze ingewijden toch laten weten dat ze als geestelijke in dienst van de Heer zijn. En dat doen ze door een klein kruisje op de rever van hun jasje te dragen.
Als de gast bij mij over de balustrade leunt een sigaretje staat te roken - toentertijd was roken nog heel gewoon - vraag ik hem er naar.
De man trekt wit weg en kijkt met een paniekerige blik naar het kruisje. In een flits is het verdwenen.
"Neem me niet kwalijk chef," stamelt hij. "Ik ben totaal vergeten het af te doen. Ik wil geen aanstoot geven of problemen veroorzaken. Ik ben namelijk pastoor."
Hij noemt een dorpje diep in België waar ik nog nooit van gehoord heb.
"Ik zou niet willen dat iemand weet dat ik het casino bezoek. Dat leidt alleen maar tot vervelende vragen en opmerkingen."
Nu betwijfel ik of iemand uit zijn dorpje het woord casino kent. En als men al weet wat het betekent, zal het bezoek aan zo'n oord als het graaien in de broekzak van de duivel worden beschouwd. Wie zal hem ooit in de casinospeelzaal tegen het lijf moeten lopen?
Ik knik en zeg dat ik zijn situatie begrijp.
Natuurlijk flitsen er beelden door mijn hoofd van offerblokken die heimelijk door hem geleegd worden en collectes uit de kerkmis die hij vertwijfeld in het casino probeert te verdubbelen. Maar als je daarbij stil staat kan je driekwart van de gasten wel in een of ander financieel verdachtenbankje plaatsen.
Ik bied hem een drankje aan tegen de schrik.
Hij gaat weer aan de speeltafel zitten en speelt zijn spelletje verder. Aan het eind van de avond komt hij mij een hand geven en verdwijnt daarna de donkere winternacht in.
Ik heb hem nog een aantal keren mogen begroeten aan de roulettetafel. Een keer moet ik discreet wijzen op het gouden kruisje, dat hij met een dankbare hoofdknik in mijn richting razendsnel verwijdert.
Een aantal jaren later duikt meneer pastoor ineens weer op.
"Hallo chef!"
Hij kijkt me aan met een grote glimlach op zijn sterk vermagerde gezicht.
Ik geef hem een hand.
"Lang niet gezien meneer," zeg ik.
"Klopt chef, ik was helaas verhinderd."
Hij begint te vertellen over zijn voortdurend verlies in het casino. En zijn probleem met het kerkbestuur, dat uiteindelijk ontdekt heeft dat er behoorlijk wat geld uit de kas is verdwenen.
"Ik was echt van plan het allemaal aan te zuiveren hoor chef, geloof me.
De rechter kon ik helaas niet overtuigen. Hij stuurde me naar het gevang voor een aantal maanden."
Ik betuig mijn medeleven.
"Toen ik weer vrij kwam ben ik uit het priesterambt gestapt en de horeca ingegaan. Ik heb allerlei baantjes gehad. Uiteindelijk ben ik manager geworden van een grote discotheek in Antwerpen."
Hij keek me vol tevredenheid aan.
"En dat is nog niet alles chef, daar heb ik ook Marie ontmoet." Hij wijst trots op een volslanke blonde Belgische madam die stralend achter hem staat en mij vriendelijk toelacht.
Ik schud haar hand.
"Ja chef, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk," zegt de ex-pastoor.
Hij beent weg en geeft de croupier acht en tien buren met vijftig.
In zijn kielzog volgt Marie.
Ze heeft een klein gouden kruisje om haar hals.
















